Binnen polders en wateringen: 2de en 3de categorie en polderwaterlopen
Het aanbrengen van beplantingen en constructies of het herstellen daarvan, binnen een afstand van drie meter van een waterloop, is verboden zonder schriftelijke vergunning van het polder- of wateringbestuur. Bij het verlenen van die vergunning moet dit bestuur erover waken dat het onderhoud van de waterloop in kwestie niet in het gedrang komt. Ook hier bestaat de plicht om doorgang te verlenen voor de machines, de werklieden en personeelsleden van het bestuur, die moeten instaan voor die werken.
In het kader van vergunningsprocedures geeft het provinciebestuur in principe negatief advies voor beplanting binnen de 5 meter ten opzichte van de oever indien het onderhoud van de waterloop in het gedrang komt. Hoogstambomen kunnen eventueel aanvaard worden, onder dezelfde voorwaarden als in gebieden buiten polders en wateringen.
De wettelijke neerslag van deze voorschriften vind je in de artikelen 2 en 6 van het koninklijk besluit houdende algemeen politiereglement van de polders en de wateringen van 30 januari 1958 en de artikelen 15 t.e.m. 17 van het provinciaal reglement van 27 mei 1955 betreffende de onbevaarbare waterlopen waarop de wet van 15 maart 1950 niet toepasselijk is.