Gedichten 2012-2013

Plattelandsgedicht IV - mei 2013

EEN MUUR IN VINKT

‘Ik, muur, geboren in de eeuw
    van rijwiel en Rodenbach,
beschik als alle muren over oren
en vertel graag dwarse sprookjes.

Zo hoorde ik ooit meisjes mekkeren,
de twintigste eeuw was nog jong,
ik hoorde beken kruien, lang voor de uitvinding
    van automobiel en telefoon,
ik hoorde ezels toen, en geiten die grappig gilden
    in het slachthuis,
ik hoorde monden vol jenever en klei,
en verlangen hoorde ik, ’s zondags, ’s winters,
    dat als een schaduw over mij gleed.

 Wat weet een muur? Dat hij als puin,
als afval eindigt, door niemand herinnerd,
verraden door de boomgaard die hij
van een grens voorzag en door het kind
dat viel en bijna zijn nek brak.

 Toen kwam de tiende mei.

 

Ik, muur, heb goed geluisterd naar
de wrede maand en de vloek van een volk
dat liever zwijgt en zweet.

Ik, muur, gezet om te schutten,
hoorde propellers en laarzen en Wagner,
de landhonger van een zieke beschaving.
Er werden mensen neergemaaid, want
daar gaat het in oorlog om: wie eerst schiet.
Ik hoorde hoe een man in een boom
de trekker overhaalde, zodat het land kraakte.

Op zevenentwintig mei was het achttien graden
en het regende in het westen. Ik rook naar mos.
Mannen leunden tegen me met hun rug,
alsof ze onder het roken wat keuvelden,
maar ze keuvelden niet. Lood trof hen
en mij een fractie later. Ik kreeg meteen
een nieuwe, smadelijke naam: dodenmuur.

Misschien verwachtte ik meer van het leven:
een voorzetwand als draagmuur,
een gevel met een oogachtig vensterglas,
een haard, zwartgevlekt, in een kasteel,
de achtergrond van een vroege Ensor.

Desnoods een wal of een schot, alles,
maar geen dodenmuur.

Ik, muur, gebouwd in de eeuw
    van geiten en neerhoven,
breng sindsdien een zacht gezang voort
voor wie zijn oor te luisteren legt
bij mijn verweerde voegen,
bij mijn verkropte, verkrotte steen.

Luister voorzichtig,

duw me niet om.’

Johan De Boose - plattelandsdichter Oost-Vlaanderen
Mei 2013 - vierde plattelandsgedicht voor de openingsplechtigheid van de reflectieruimte in Vinkt.

Plattelandsgedicht III - januari 2013

DAY IS DONE

1.

‘Mijn voet een wandelende tak
Mijn stem een rollend hol vat
Mijn ziel een gevlekt bloedend dier

Ik ken de stille snik van Vlaamse winters
Zoete angst, schuldige stilte
Elk kind in elke kooi is een prooi 

De kooi heet: Everything at once

Over vlakten valt de schaduw van een berg,
van lange nachten
Het leven is een weg die onder mij verdwijnt  

Ik trek het laken van de mist over me heen
Ik breek in de kaken van de regen
Ik lees de lijnen van het lot: 

    Fruit tree, fruit tree
No one knows you
but the rain and the air

Ik ben één met het wenend land, met de grijze zee
Ik ben de tiener van het jaar
Straks spring ik naar de andere kant van het licht
Wie springt is altijd beter dan voorheen
Wie valt valt veilig in een lange diepe slaap
Een val van vijftien jaar, van twintig eeuwen

Spring ik? Ik zie de tong van mijn schoen.
Vlieg ik? Onder mij een vlakte van braaklanden,
groeiend donker, een weg die verdwijnt.
Roep ik? Een stem als een vat.
Wie luistert? Wie is zo doof als een god?

    Life is but a memory
happen
ed long ago.

2.

Er zijn twee manieren om naar deze ochtend te kijken:
In het landschap ligt een lichaam
In het lichaam ligt een landschap 

De derde manier is
hoe land en lijf samen 

Er is dromen en dromen:
Een heuvel wil berg zijn
Een beek wil zeewaarts 

Er zijn ook dromen die men oplegt
(alsof de toekomst een straf is):
Een gazon in een bos?
Een eik op een varen? 

Er zijn akkers en oevers die sterven
Dieren die zichzelf vergeven 

Hoor
Iemand speelt viool op een boom
Day is done

De krant zegt: het is vijftien graden
en een jongen stapte uit het leven. 

Er is stappen en stappen.

 Johan de Boose - plattelandsdichter Oost-Vlaanderen  
31 januari 2013 - 3de plattelandsgedicht voor gedichtendag/week met thema 'muziek'

Plattelandsgedicht II - juni 2012

VANOUDS

Land vanochtend: een hemel als van steen,
verstrooide zon, tuinen vol regen en rook.
Een kind zegt: kijk, een veld vol duivels. 

Het landvolk woont in duinen,
droomt van honing en melk,
verslikt zich in het meel van de taal.  

Land waar geen land meer achter is,
zeeziek land dat zich het holoceen herinnert,
kleigrond vol dodo's en ossen, 

de veldzang van de mens, fossielen,
en later: de geschreven tijd, het landboek,
wrak land waarin een vrouw ontwaakt. 

Land vandaag, vannacht, vanouds,
land van klachten en beloften,
land dat breekt en weent en wacht.

Johan de Boose- plattelandsdichter Oost-Vlaanderen 
juni 2012 - 2de plattelandsgedicht n.a.v. 50 jaar Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

Plattelandsgedicht I - februari 2012

HET LANDSCHAP NIET

Wordt tijd oud? Het landschap niet.
Het slijt zoals een mens, het bergt
zijn spinsels, klimt uit as
of ijs. Of glanst van hitte als honing
of vet. In de grot in je buik
slaapt een dier, op het veld
op je huid groeit bos. Je bent
van stof, verlangt naar elders
en anders. Je geur is oud
als de zee, als het begin. Je spartelt
en rilt, bent vis en riet.

Wordt tijd oud? Het landschap niet.
Het luidt zoals een klok, het slaat
en heelt, of klinkt in de onaffe
wind en vergeet. Of vlucht met
de mist. Op de maan in je oog
zit een man, in de beek
in je bloed schijnt licht. Je kleedt
je met heuvels en hemel,
hunkert naar vroeger en meer.
Je ziel is van goud, zoals je lust
of je lied. De tijd wordt al oud,

maar je landschap niet.

Johan de Boose- plattelandsdichter Oost-Vlaanderen 
8 februari 2012 - 1ste plattelandsgedicht tijdens de voorstellingsavond