Gedichten 2016-2017

Plattelandsgedicht XXI - Weg

Top

Drie meisjes op weg met de fiets. Drie meisjes
onderweg naar iets. Om mattentaarten, gedreven
door hun papillen. Ze malen kilometers. In de
ochtendkou lijken ze door hun tred nauwelijks

van elkaar te verschillen. Stoepranden putdeksels
het suizen van rubber op asfalt. Er is een dag
op komst waar niet aan te ontkomen valt.
Steenslag spat op. As over het gras.

Door de zwaartekracht wordt niets nog
bijeengehouden. Ze liggen daar altijd, verspreid.
De berm kreunt. Iemand voelt hun hoofd
hun pols hun hals. En laat liever alles

ongeschonden. Zo zacht hun lippen,
hun meisjesmonden. Drie meisjes steeds op weg
naar niets. In het nu, in het prille licht,
had iemand hun weg moeten worden ontzegd.

Voor Lauren De Cleyn, Laetitia Vandevelde en Emilie Leus, die op 11 november 2009 voor hun studentendoop met de fiets op weg waren naar Geraardsbergen. In de Vijverstraat in Oosterzele werden ze door een dronken bestuurder aangereden en verloren ze het leven.
En voor Nicolas De Vos, die de aanrijding overleefde.

Paul Demets, plattelandsdichter
december 2017 - n.a.v. de verkeersveilige nacht

Plattelandsgedicht XX - Dichter

Top

Voor Richard Minne en
voor Sint-Martens-Latem

Camera’s en dubbele hagen. Maar zeker
is hier nog altijd niets. De zon die aan diggelen
valt naast de tuintafel en het gras verbrandt.

De buurman op reis die zijn kat vergat.
De kraai die opvliegt en danst rond de open wond.
Op de grond mieren en andere kleine dieren.

En de boskoop dan die je plukt, het zachte schillen, het rillen
van huid die loskomt van het vruchtvlees?
Het sap op je tong, het traag kauwen, het slikken.

Je ademsappel op en neer. In je hals
een kloppende ader. Een bries die je boek
doorbladert. Een wesp die in verdrinkingsnood

schuin de rand aantikt. De dag is rood, de dag is
wijn. Je blik gaat door de tuin. Je droomt en drinkt.
En ziet het niet. Daarvoor moet je een dichter zijn.

Paul Demets, plattelandsdichter
november 2017 - De Gentse dichter, proza auteur en journalist Richard Minne (1891-1965) woonde vanaf 1928 in Sint-Martens-Latem, het dorp dat hij Sint-Jan-in-de-Olie noemde. Hij vond er zijn laatste rustplaats
.

Plattelandsgedicht XIX - Enkeling

Top

Voor de meer dan 200 jaar oude Westerse Levensboom
in het park Meheus in Olsene

Herfst, voel geen schroom. Ik laaf me graag
aan grijze luchten. Een donkere dag
kan mijn sap sneller doen stromen. Mijn

wortels was ik altijd maar in dezelfde grond.
Een enkeling ben ik die het licht vangt,
het door een ring van schaduw haalt,

hoelahoepend tot beneden. Een drenkeling
die met een lange arm de bodem dichterbij
trekt en jicht krijgt van al dat jong loof

om mij heen, groen van leden. Ach, laat
maar overwaaien. Ik kijk wel de ogen
uit mijn stam. Maar mijn wondhout jeukt

en weet niet wat mij overkwam. Nieuwe
scheuten groeien zich een breuk. Van wat
je wil, kan je levenslang blijven bloeien.

Paul Demets, plattelandsdichter
september 2017

Plattelandsgedicht XVIII - Duivenmelker

Top

Voor Georges Peirs en voor alle duivenmelkers

Vele termijnen lang bleef je hier waken,
met je handen open. Je blik omhoog
boven de daken. Wie geduldig wacht,
hen minzaam roept, zijn denkend hoofd

met twee vingers stut, mag hopen. In het blik
wordt voeder geschud. De wolken dragen
de middag geduldig. Voor allen bouwde je
een thuis; de til stond altijd open. Daar komen

ze weer binnen, je doffers. Je controleert
de dekveren en de pennen. Geluk pluk
je niet uit de lucht. Je moet hen rustig laten
ruien, na het opleren dagelijks aan verte laten

wennen. Je waakt over hen, ze hokken in je hoofd.
Wie niet bij je hoort, heb je een zoenoffer beloofd.
Je voorzag hen van ringen. Maar het hok
tocht van spanning. Want nooit weet je zeker

of ze de weg terugvinden. Alleen de sleutels
die rammelen in je zak zijn gelijkgezinden.

Paul Demets, plattelandsdichter
september 2017 - Georges Peirs was van 1970 tot en met 2006 burgemeester, eerst van Machelen-aan-de-Leie en nadien van de fusiegemeente Zulte.

Plattelandsgedicht XVII - Winterlinde

Top

Voor de dorpslinde van Massemen

Er zit een boom in je boom. Je bent licht in je zwaarte.
Je bent een gezwollen zwerfkei die thuis blijft.
In de lente rol je je gebladerte uit. Wie je schaduwt,
aai je over de bol. Je heldert het plein op tot klaarte.

Ooit heeft een bos je hier verloren. De boom rond je
is uit je eigen sap geboren. Je spant je aders op,
blijft de seizoenen voor. Je denkpatroon, die frons
in je bast, is helemaal anders dan hoogtelijn

en breedtegraad. Zo groei je naar beneden.
Je volheid zit in je holtes. Alleen jij weet
waar het met jou naartoe gaat. Alleen
jij weet om welke reden je hier als jongetje voetje

voor voetje het plein hebt betreden. Predikte je
de revolutie? Vloekte je in de kerk?  Veeleer
besta je ergens van ter ere. In je ruime kleren
zien we nog het kind in zijn mooiste communiepak.

Het knippert met zijn ogen naar de zon en stopt
voor het eerst als de groten zijn hand in zijn zak.

Paul Demets, plattelandsdichter
juni 2017 - n.a.v. de verkiezing van
de linde in 2016 tot Boom van het jaar

Plattelandsgedicht XVI - Tseete

Top

Voor Roger, Kathy en Eddy

De zon schuift over de velden als een peloton.
In de aarde wordt nieuw leven verpot.
Je vertrouwt meer op fruit dan op God.

Ik lees littekens. Je hand een foliant.
Asfalt in je elleboog gebrand. Nooit
je laten meedrijven. Zelf koers gezet.

Je wist hoe de schaduw altijd haar messen wet.
In Zwitserland nam je van Merckx driemaal
op een dag de maat. Roubaix maakte je levensgroot.

Maar het paradijs, als het al bestaat, ligt hier
klein tussen ons in. Raverschoot blijft je vruchtbegin.
‘Ruggero, sei polemico’. Een kei die je verder

blijft stoten om je voorsprong op de dood
te vergroten. Zo zal je demarreren tot het beeld

bevriest. Wie stilvalt, verliest.


Paul Demets, plattelandsdichter
april 2017 - n.a.v. de 70ste verjaardag van Roger De Vlaeminck en de tentoonstelling over zijn wielercarrière in het streekcentrum Huysmanhoeve in Eeklo

Plattelandsgedicht XV - Magnolialawaai

Top

Op het gras ligt de bal. Ligt daar bal te zijn
die vraagt om opgeraapt te worden.
Mag je het gras betreden? We hebben het zelf

niet in handen. Voor de bladvorming verschijnen
de bloemen. Onder de grond vlezig de wortels.
De bal beweegt in de wind, klaar om buiten beeld

te verdwijnen. Het komt er nu op aan om goed
aan te duwen. Weer grond onder je voeten te krijgen.
Je bent immers op vertrouwd terrein. Enkeldiep

in de lente. De vingertjes die de bal zouden voelen.
De lucht is blauw en scherp als een mes. Hoe het
in je woelde als een bloemknop, bladverlies

van zich afwerpend. Magnolialawaai. Een eerste kreet.
Licht vult de kelken en schenkt bij. Klokkende monden
hebben alle tijd. Het groen voelt zich licht opgebonden.

Paul Demets, plattelandsdichter
april 2017 - n.a.v. de Dag van het Aboretum in het Leen te Eeklo.

Plattelandsgedicht XIV - Buksbegeerte

Top

Voor Ray en Nadine Betsens en voor alle tuintovenaars

Je kan hem best ruimschoots de tijd laten nemen.
Rustig laten groeien. Zijn zussen hebben een voetje voor.
Ze beseffen sneller hoe hoog de zon kan staan en kennen
haar stralen. Ze weten waarheen de paden leiden en hoe

je moet behagen. ’s Nachts tellen ze de sterren, knipogende,
hunkerende astronauten, en laten hen mooi voorbij zeilen.
Ze zijn in de wolken. Ze vertakken zich en zetten hoog in,
al worden ze weer naar onder gebogen. Ze geuren, laten

hun kleuren overdag openbarsten als vulkanen. En als je
te dichtbij komt, worden hun stekels messen. Maar slaap je,
dan komen ze je wiegen en liegen lief dat hun schoonheid
bereikbaar is, als stewardessen. Ze voelen zijn wervels

en botten. De buks rondt zijn rug en waant zich een berg.
Alles baadt hier in het licht. Maar hij blijft zoeken tussen
de nestvarens en de elfenbloemen. Straks kan hij oprotten,
blijvend groen in zijn begeerte. Hij zit de zomer op te potten.

Paul Demets, plattelandsdichter
juni 2017 - n.a.v. het Open Tuinen-weekend

Plattelandsgedicht XIII - Lucht

Top

We schuiven aan en kijken. Bumpers zoeken afstand.
We zitten onze rijtijd te bepalen. Onze gezichten
zijn geschroefd en van metaal. Op duizend ramen moeten we ons

verkijken. Eenparig rechtlijnig worden we bewogen. Zo blij
dat niemand ons kent. En worden kleuren gewaar. Iemand grijpt
in een zakje en blijft in de leegte graaien. Op een scherm branddamp

en bloedwalm. Iemand doet zijn ellenbogen groeien. Hij laat ze op zijn dashboard
leunen. Iemand heeft reptielenhanden. Een meisje leest haar haren,
een wingerd waaruit ze twijgjes plukt. Dat we onbewogen blijven,

is ons enig verband. Maar een lied is een mogelijkheid. Het sluimert
nu nog in droge kelen. Het zit zich nog in het star voor zich uit staren
te verdelen. Het kent geen tijd, het houdt nergens halt en het zingt.

Het opent de deuren, vraagt om onze wagens achter te laten.
Het zuivert de lucht tussen ons, de landkaarten van onze longen.
Het stijgt ons naar het hoofd en doet afstanden verdampen.

Nieuwe wegen worden gebaand. We worden onze eigen Alpen.

Paul Demets, plattelandsdichter
februari 2017 - geschreven voor Bonus op Radio 1, over luchtvervuiling, zowel op het platteland als in de stad

Plattelandsgedicht XII - Je plek

Top

Dan kom je thuis, schopt je schoenen uit, het licht likt
de ruiten. Je kan niet langer blootsvoets blijven toekijken.
De zon brandt je naar buiten. De kat raspt haar tong
en blinkt in haar vel van een duivel. Elke keer begint

het bloeden weer. Je trekt de stralen over je heen
als een laken. Het gras is in zichzelf verzonken,
lobelia’s ranken over de rand. De rozen geselen
je benen en uit de buddleja wolken vleugels op

die zich dan weer spreiden. Je zet de tuin naar je hand.
Je denkt aan niets dan aan wat je heugt. Je verzwijgt je.
Dan lig je daar, glimmend in jezelf en raakt buiten adem
en geeft je en geeft je. Een vingerwijzing. Je mond is

een dartele hond en hijgt na. Het licht valt, een tak die terugveert.
Een twijgje. De lucht stokt in de blauwzucht van de hortensia.

Paul Demets, plattelandsdichter
n.a.v. 25 jaar Open tuinen van Landelijke Gilden

Plattelandsgedicht XI - Tektoniek

Top

Voor Laurens en alle kinderen van landbouwers

Kom toch terug en duw weg de kille steen.
De dagen dragen je. De nachten groeien
over je heen. Hier is jouw Amerika:
de zon die de weiden bloeden doet.

Twijfelend aan het hier rijdt een mens
naar daar in rechte rijen. De staldeur
zet elke dag je leven op een kier. Het licht
stuitert tussen de dieren en kan geen donker

luchten. Je ziet muizen vluchten, het witsel.
In de muren dringt het geritsel. Je laat
aardekluiten regenen waar je loopt. Stof
wolkt op en werkt webben in nesten. Kom

terug, maar ga. Hier is jouw Amerika.
Spreeuwen plots, overal spreeuwen
die de lente zwart proberen te maken.
Tektoniek van handen. Ze bewegen over

de tafel om ons aan te raken.

Paul Demets, plattelandsdichter
november 2016 - n.a.v. de herdenking in het PTI Eeklo

Plattelandsgedicht X - Kikakaka ko

Top

Kikakaka ko is het zacht tokkelend geluid van de kauw

Spreken en uit de toon vallen. Met een korrel
in de keel weten dat ik iets moet doen
tegen die man met de kettingzaag. Zijn veters
los. Ik zal zijn gevloek herhalen. Zijn gezicht

zegt dat er haast bij is. Wat doet schaduw met hem,
vertakkend over zijn schouders? Ik doe mij maar voor,
leef van afval en pik in het karkas van een overreden vos.
Uit het nest gevallen groeide ik in een kamer en de kamer

in mij. Door mijn oogringen lieten jullie zich kooien. Dachten
dat ik zou zingen. Jullie leerden mij jullie vuilbekkerij.
Ik praat en kir en kwetter, ik rochel en tokkel. En nu
ben ik jullie huisknecht die jullie voedert met honger

en dorst. Blijf maar eten. De aarde is een afgebeten korst.
Er gaan hectaren op de schop. Ik vlieg naar een afgezaagde
tak en land erbovenop. Fantoompijn. Branderigheid die niet
valt te doven. Jullie liegen er op los. Ik wil jullie best geloven.

Paul Demets, plattelandsdichter
november 2016 - n.a.v. Studium Generale van Hogeschool en KASK Gent

Beginfragment van een lang gedicht over het natuurbeleid in Vlaanderen, integraal te lezen via het document onderaan deze pagina.

Plattelandsgedicht IX - Dries

Top

Voor Opdorp

Achter de bomen kan je niet komen. Stemmen
weven een web in het gebladerte. Er is geen
waarheid op dit plein. Hier moet je dronken zijn
van het groen en op het getij van de seizoenen

drijven. Hier wordt veel gezegd en verzwegen:
de lente met haar gemompel, de grootspraak
van de zomer, het gekerm van de herfst,
de stijve lippen van de winter. Als boter

worden we door de dagen geslagen. Dan begint
het druppen van levens die zich voltrekken.

Wat morgen komt, bleekt als lakens
op de dries. Wat onbeschreven is, maakt triest.

Paul Demets, plattelandsdichter
oktober 2016 - n.a.v. Dorp in de kijker

Plattelandsgedicht VIII - Foto

Top

Voor Nazareth

Gestrekt de akkers, doorwoeld. Een steeds
weer opgemaakt ledikant. Voren trekken de tijd.
De schaar maalt niet om de randen van het land.
In afwachting onstelpbaar het dweilgrijze

tot het zich kwijt en wortelend in later,
veel later, kolven voedt, een rijping die ons
overweldigt. Bladstengels heffen
de armen hoog; in het oog springt

een korrel. Zoals alles ons aankijkt hier.
We worden wie we altijd waren: de mouwen
opgestroopt, rouwranden onder de nagels,
geuren van dieren in onze kleren en haren.

Dat iemand ons dan opraapt, ons terugplaatst
in dit kader met uitzicht op weiden, silo’s
en stallen. Op de foto klimt het licht.

Geen mens die in wat komen zal
voorover wil vallen.

Paul Demets, plattelandsdichter
september 2016 - n.a.v. de 3de plattelandsmarkt

Plattelandsgedicht VII - Mere, de zomer van 1976

Top

Voor Lucien en de inwoners van Erpe-Mere

De zomer hield het niet. In donkere
kamers achter rolluiken geloken
en sanseveria’s, moeders vingerwijzingen,
voorspelde Pien meer droogte.

Zijn voeten in een teil. Scherpenheuvel
hulpeloos, ongezien. De grond barstend:
Sunlightzeep na weken. De heide van Kalmthout
niet langer bezongen in zak en as. Juli,

juli droger dan gras. De koekoek riep
om regen op het doek. Zijn nest bleef zoek.
Op Pla d’Adet klom de Kleine hoger
en hoger. Voor aller ogen thuis

schemerden badschuimgroen de dennen.
Onder een smetteloos gele trui
kroop zonnebrand en moest huid
van karnemelk aan mouwen opschuivend

kleur bekennen.

Paul Demets, plattelandsdichter
juli 2016 - n.a.v. het feestjaar voor Lucien Van Impe

Plattelandsgedicht VI - Ogenblik

Top

Voor Johan

Stel je voor. Net als je het gezien hebt, onttrekt het zich.
Rekt het zich in de wind die over de takken schuift. Gebladerte
heeft van het licht gedronken. Niets rest dan een splinter in je vinger.
Onderhuids kloppend loopt de tijd uit, zit hij onverkort

in je kleren. Op je arm huiveren haartjes. Zo
te moeten zien hoe een tak steeds weer de rand raakt, jou
op de schouder tikt, tikt, aantikt als een boot de steiger.

Zo te willen naderen. De lucht deint.

De lucht die je ziet, bij vlagen, is de lucht niet
in de wind geslagen en wat, ontrafeld, zal blijken. Een wonde
die glanst en die je dept als je opstaat, traag en rood
druppeltje op je handen. Kersenbloesembloed dat zich aan
de stralen tegoed doet als je langer dan ooit in de zon blijft kijken.

Paul Demets, plattelandsdichter
mei 2016 - n.a.v. de video-installatie 'Ogenblik' van Johan Opstaele in het Cultuurhuis Wattenfabriek in Herzele

Plattelandsgedicht V - De thuisreis (delen 1, 2 en 3)

Top

IJzerdraad

Voor Roger Raveel

De haag verblindt het zicht. Vanonder mijn pet sta ik
te kijken. Pissebedden ploegen onder een tegel. Kauwgom,
een fluim op de wegel. Bloed gedroogd aan een duim. En hoor
het gescharrel, gefluit, het harken van de perken. Iemand schuift

foto’s door elkaar. De doden bleken onder de zerken.
In het gras woekert wat vergeten was. Rood bakenen de daken
verte af. Fiets hier dan langs. Zoeter geuren de seringen en zijn
geen straf. Waai mee, trap je los van de straten, zie de lakens

die drogen tussen de palen. Witte bakens. Het is mei; mei komt
tussen de struiken gluren. De zon kan weer ademhalen.
De buurvrouw strekt zich uit als een kat onder de eerste stralen.

Fiets dan langs. Onbevangen. Tooi je met de vleugelslag van een vink.
De lucht blijft aan een ijzerdraad hangen. Hij spant mij op. Iemand
heeft iets opgekropt. Maar het dorp is heel en niet verminkt.

Bij ‘Man met ijzerdraad in tuin’ (1953) van Roger Raveel, Raveelmuseum, Machelen-aan-de-Leie.

Kano

Een omtrek maakt helder. Met trage slagen je tempo
bewaren. De oever schuift op terwijl je door het water
wordt gedragen. Alles zit in je de wereld heeft een grens
grasvlakken oevers wolken die het oppervlak bevolken.

Je suist over de Leie. Elk woord heb je achtergelaten.
Je wil geen vaste grond. Je lichaam helt voorover. Dieren
staan plomp in de weiden en gaan in je beweging verloren.
Je houdt je als een vis schuil tussen de lissen en stolt

in je vorm van een man op het water. Je zinkt in jezelf
in de tijd en vindt oeverloos van dit landschap de bodem.
Hoe donker het in je kan zijn. Het kijken pijn die niet
wijkt. Als je aanmeert, zijn je voeten van slijk.

Bij 'Aan de oude Leie' (1968) van Raoul De Keyser, Museum van Deinze en de Leiestreek

Surplace

Voor Raoul De Keyser

Afkerig van het ononderbrokene, de voltooiing van jaargetijden,
de wijzers van de klok, van het geluk de hoefijzers.
Gretig naar het water, het fietswiel dat, nadat hij zich inhield,
op het asfalt nog blijft spinnen. Grazend als zijn blik

langs de oever; de aarde is van huid. En de hond graaft
zich binnen in zijn hand in, ademt zijn vachtverlangen uit.
Laat de dingen toch slapen. Maar de materie rilt
en hangt in de gordijnen. De parkieten hebben praatjes.

Het rafelt daar ergens in een hoek. Zijn oog houdt
de kamer op afstand in de gaten. Hij verstapt zich niet
op de trap. Het is goed om op de leuning lijnen te schaatsen
met je hand. Want we wandelen. En we wandelen ter plaatse.

Bij ‘Surplace n°2’(2002) van Raoul De Keyser, Museum Dhondt-Dhaenens, Deurle

Paul Demets, plattelandsdichter
juni 2016 - Voor de Oost-Vlaamse Leiestreek en de Biënnale van de Schilderkunst

Plattelandsgedicht IV - Onze Ronde

Top

Onze Ronde

‘Heren, vertrekt’, zei hij. En we blijven gehoor geven.
We schudden het schild van de winter van ons af, planten
onze hakken. Het is zaaimaand voor de rapen. De scharen
van de ploegen likkebaarden. Rond de kerktoren

verzanden we niet. We trekken lijnen op een bierkaartje
van hot naar her. We komen van ver. Lucht van mest en aarde
ademen wij, herboren. De palen staan stevig in de creoline.
We zijn de kruipers die de kanten afboorden, de aangeaarden

die als knikkers, bleke parels van de helling dreigen af te rollen.
We worden als wilgen geknot. Van de regen is de einder opgezwollen.
De sleedoorn raakt onze ellebogen vanuit het onvoorziene.
Wat is dit voor een gewelf van bottende takken, waaronder rijpt

ons verdriet? De houtkant drinkt al het licht en duldt ons niet.
We zijn de bedreigden. De pad die zich moet reppen, de geelgors
en de veldleeuwerik. Op het binnenblad wachten De Hotond,
de Kwaremont, de Pater. Er komt geen einde aan de kou, aan dat

trappelen als in water. Later: platgetreden gras, stilte en blauw.
De drift dat alles is te herdoen. Laatst zag ik een vrouw. Haar ogen
die mij verbeurd verklaarden. Haar heupen die hoog torenden
boven mij. Ik dacht dat ik aankomen zou in Oudenaarde.

Paul Demets, plattelandsdichter
april 2016 - n.a.v. de 100ste Ronde Van Vlaanderen

Plattelandsgedicht III - Hangende tuin

Top

Hangende tuin

Voor Amytes

Een bries steekt alle siergrasveertjes op zijn hoed.
De bomen ademen uitlaatgassen in als berglucht.
Kevertjes: dankbaar om hun zijn voeren ze afval
in hun schild. Dan toch zo’n dag waarop het groen

een openwaaiend gordijn is, een bloes die van je
schouder wil. En de tuin rijst op als uit een ligstoel
in Babylon. Licht ontvlamt in je zonnebril. Een merel
herschikt zijn rokkostuum en verslikt zich

in het wormgat van het gazon. Je bent de kus
die op ieders lippen brandt. Zeg mij
dat alles is in deze deixis: een tuin betreedbaar
omdat hij nu opstaat, oplichtend in je ogen,

op je huid ontluikend. Want onder de mossen
woekert het verder. Kersenbloesems bloeden
in het gras. Tussen de hosta’s: veertjes en de kat

haar klauwen. De middag groeit
als een schaduw. Je wordt zijn ontvouwen.

Paul Demets, plattelandsdichter
april 2016 - n.a.v. de Floraliën

Plattelandsgedicht II - Charons woonboot

Top

Charons woonboot

Kom aan boord. Let niet op de deur die klemt.
De ramen trekken scheef in hun sponningen.
Het tocht hier van de buren die mij vragend
blikken sturen als de postbode aanbelt

met een dwangbevel. Ik wil u graag vervoeren,
maar kom niet van mijn stoel. De dag drink ik weg;
hij vloeit van mij vandaan. Laat hem als een hand
door mijn vlassige haren gaan. Ik verloor al uw obolen.

Zo kan ik toch niet in uw schoenen staan. De huid op mijn
ellebogen krijgt een korst, als mijn jaren. De nacht
heeft niet te lessen dorst. Ik draag een lichaam
dat niet past. De kamer krijgt geen lucht.

Ik strompel en mompel. Mijn stem heeft magerzucht.

Paul Demets, plattelandsdichter
29 januari 2016 - gedicht over armoede op het platteland

Plattelandsgedicht I - Astene Sas

Top

Astene Sas

Voor Hugo C. van Astene

Werp een steentje in dit uitzicht en het water
ringt de oever. De koeien staan weer ongeschoeid
in de modderkorst. Hun staarten blijven vliegen
dirigeren. De zomer komt van ver terug. Hij draagt

de zon op zak. Haar stralen werpen messen
naar het wateroppervlak. Soms gaat een blik
naar waar hij beter niet kan dwalen. Hop. Uit
het hoge gras schieten benenstengels op.

Buikspreken, kirren: de middag heeft
een zotte kop. Hier krijgen Hugo’s hongerogen
goed de kost. Water wordt gedragen
en lager gelost. In het gras worden twee paar

armen versast. Er parelt een druppel in de oksel
van de Leie. Stuifmeel is hun deel. Hun ruggen
worden een ophaalbrug. Het stuift hier op meisjesdijen.

Paul Demets, plattelandsdichter
29 januari 2016 - inhuldiging in Zwalm